Een leerkracht brengt een kind in: “Hoe kan M. zijn kracht sympathiek worden in het sociale, in het werken en leren? Hij kan alles: leren, kunstzinnig, is behendig, veelzijdig. Intens. Weet een heleboel en wil dat delen. Hij kent de (spel)regels en spreekt kinderen daar op aan. Bedenkt ook eigen regels. Heeft ook ongefundeerde kritiek, kan bot zijn, maar wel scherp. Schiet in het oordeel. Heeft onderscheidingsvermogen.”
Wat zijn de twee belangrijkste werkwoorden in deze beschrijving? Heb je er een beeld bij?
Leerkracht.: Onderscheidend oordelen, een rechter. Hiermee gaat de leerkracht naar huis.
Reflectie acht weken later
Er wordt vlak voor Kerst, een vijfde klas opgeheven. Hiervan stromen negen leerlingen in het nieuwe jaar in mijn klas in. Ik geef M. verantwoordelijke taken. Hij slooft zich enorm uit. Hij vertelt me dat hij een voetbalteam wil opzetten, dat kan volgens hem, nu er eindelijk meer jongens in de klas zitten. Mg de schoolregels voorlezen en uitleggen. Ik laat M. veel ‘oordelen’ vellen (rechter).’ Wat vind jij M., moeten we dit, of dat doen?’ En deze oordelen moet hij vooral onderbouwen door goede argumenten. Vragen als: ‘Aan welke eigenschappen moet een koning volgens jou voldoen? Wat is juist/onjuist?’ N.a.v. het Gilgamesj verhaal: ‘Waarom is eeuwig leven aantrekkelijk, wat is het voordeel van kort leven?’ M. spuit zijn meningen nog steeds graag rond, maar wordt nu snel getackeld, omdat hij z’n oordelen moet onderbouwen, nuanceren. Met hulp lukt hem dat steeds beter.
| De leerkracht stapt zelf ook mee in in het oordelen en betrekt daar als vanzelf de hele klas bij. Dan ziet M. dat anderen dat beoordelen ook kunnen. |
Twee weken later
Leerkracht: We doen nu even deze korte kindbespreking. Dan heb je al heel snel er zo een paar. Dat is heerlijk met elkaar te doen.
Ik: Kun je het bij de geschiedenisperiode zo inrichten dat je de hele klas het Onderscheidend oordelen laat doen: ‘Socrates en Plato en wie had er nu eigenlijk gelijk en waarom?’ Bereid het voor de hele klas voor.
| Door in de klas het oordelen in zijn geheel op te pakken, worden kinderen inclusief M. er beter in om te zien wat de kwaliteiten van de ander zijn. In het beoordelen van een tekening van een ander kan zichtbaar worden hoe hij of zij het goed heeft verbeeld en waardoor dat komt. Zo worden de kinderen zichtbaar voor elkaar. M. maakt er dus op attent het ‘oordelen’ als vaardigheid in de klas te beoefenen. |
In april bel ik je weer. Leerkracht: Ja, Leuk!
Anne Machiel
Nieuwsgierig hoe het afloopt? Meld je aan voor de Nieuwsbrief:
info@academievoorervarendleren.nl
Geef een reactie